- können
- könnenI 〈onovergankelijk werkwoord〉1 kunnen ⇒ bij machte zijn, in staat zijn♦voorbeelden:1 〈informeel〉 mir kann keiner! • ik ben voor niemand bang!da kann ich nicht mehr mit • dat is te moeilijk voor mijnicht umhin können • er niet onderuit kunnenfür diesen Unfall kann er nichts • aan dit ongeval heeft hij geen schuld(es) mit jemandem (gut) können • met iemand (goed) kunnen opschietenII 〈overgankelijk werkwoord〉1 kennen ⇒ beheersen2 kunnen ⇒ bij machte zijn, in staat zijn♦voorbeelden:1 er kann Russisch • hij kent Russischauswendig können • van buiten kennenIII 〈hulpwerkwoord〉1 kunnen, in staat zijn, bij machte zijn ⇒ willen2 kunnen ⇒ mogen3 kunnen, mogelijk zijn4 kunnen ⇒ moeten, hoeven5 kunnen, mogen ⇒ reden hebben om♦voorbeelden:1 〈informeel〉 da kann man nichts machen • daar kun je niets aan doen2 meinetwegen kann er hier bleiben • voor mijn part mag hij hier blijven〈informeel〉 du kannst mich gern haben! • je kunt naar de maan lopen!〈informeel〉 du kannst mich mal! • je kunt me wat!3 er kann einem Leid tun • je zou medelijden met hem krijgen〈informeel〉 kann sein! • 't is mogelijk!〈informeel〉 wo kann man hier mal (austreten)? • waar is het toilet?5 das kannst du mir glauben! • geloof me maar!〈informeel〉 das war ein Tag, ich kann dir sagen! • nou, was me dat een dag!, het was me het dagje wel!
Wörterbuch Deutsch-Niederländisch. 2015.